Een brief aan Vrouwe Filosofie
Over de vertroosting der wijsbegeerte
Oh, Vrouwe Filosofie,
wat is de late septemberzon toch zacht.
Wanneer de eerste koele lucht de huid weer strak trekt,
spreekt de schemering zoveel talen,
alsof de ware aard van alles ineens bloot komt te liggen,
en zonder stoffige smet in het daglicht komt te staan.
Oh, Vrouwe Filosofie,
moge dagen zoals deze vaker voorkomen,
alsof het pasgemaaide gras nog sterker en nog dieper geurt,
alsof er zoveel dingen samenvallen.
Ik zou wensen,
maar wil niet gulzig lijken.
Ziet u,
het is niet dat ik iets tekortkom,
of naar meer smacht dan wat u reeds geboden heeft.
Nee,
dit is enkel blijk van waardering,
een schrale uiting van troost,
voor het feit dat u, ondanks mijn onvolmaakte bestaan,
toch compassie toont,
en in uw barmhartigheid voorziet in uw rijkdommen.
Ik ben de taal van de liefde niet machtig,
maar ik durf te bepleiten dat de natuur het dichtst in de buurt komt.
Van alles wat ik niet begrijp,
begrijp ik de natuur het meest,
omdat het in wezen verbazen is
over eindeloze mysteries.
Ik dank u voor dit kostbare geschenk,
maar vrees voor haar voortbestaan.
Men zegt tegenwoordig dat de natuur bezit kan zijn,
maar hoe kun je iets bezitten
wat per definitie ongrijpbaar is?
Zelfs Einstein vertoefde graag in ongerepte perkjes,
vanwege de fascinerende chaos
waar zijn verstand nooit bij zou kunnen.
Het is een van de weinige dingen
waar we echt door in vervoering kunnen raken,
en over kunnen spreken
alsof het bovennatuurlijke krachten bezit.
Zoals zoveel in deze wereld
kunnen we het slechts beschrijven,
maar nooit echt begrijpen.
Dat vereist het afzweren van de objectieve blik,
en zou ons allen doen sterven.
Dat is de waarheid,
die we niet dragen kunnen,
omdat het niet-weten haaks staat op het weten.
Want wanneer bodemdriften ons verteren,
vergeten we uiteindelijk de taal van de wereld te spreken.
Het is net als die naargeestige wijsheid,
over de man die de vogel doodde,
en daarmee het lied,
en daarmee zichzelf.
Enfin.
Dat zal voor sommigen
een schrale troost zijn,
te midden van al het lijden.
Heeft u al genoeg van mijn gemijmer?
De maan is ook al verschenen,
als een luchtgeest in een strakblauwe kosmos.
Laat ik u niet langer ophouden,
ook u heeft recht op eigentijd.
Ik zal me terugtrekken,
om u niet te hoeven grieven.
Nu is het wachten op de nacht.

