Short Story: De Vreemdeling van Koningsbergen
Slechts wat gebroken brood leek voor de vreemdeling voldoende voor zijn dagelijkse rondes. Aan het einde van de middag zag ik hem dan aankomen vanuit de Lindenallee, wanneer ik koffie zette voor de laatste klanten. Zelfs in de hevigste buien was hij te vinden; zijn pas scheen onvermoeibaar.
Wie deze man precies was, heb ik nooit kunnen achterhalen. Het knaagde aan mij, want het was een intrigerend figuur. Af en toe kwam hij op het stenen randje voor ons koffiehuisje zitten en liet hij zijn gezicht warmen in de laatste zonnestralen. Zijn gelaat was doorleefd maar verzacht door rust. Zijn kleding diende overduidelijk een nuttig doel, maar leek met zorg behandeld. Er zaten geen gaten in, en ook de overhemden leken zo nu en dan gestreken.
Na enkele weken begon ik hem niet langer als zwerver te zien. Nee, dit was een man die wijsheid droeg, iemand die het leven leek te begrijpen. Vaak had hij een notitieboek bij zich, soms los in zijn jaszak, soms in de hand, met de wijsvinger als dienstdoende boekenlegger. In zijn rechterhand ondersteunde een wandelstok zijn ongemakken.
Hij sprak weinig, maar zo nu en dan, wanneer ik hem buiten tegen het lijf liep, groette hij met een gereserveerd ‘goedendag’, waarbij een voorzichtige glimlach verscheen. Met gebogen hoofd kuierde hij dan voort, met een hand op zijn rug, verder de straat in.
Op een zonnige midzomerdag, laat in augustus, kwam de man niet opdagen.
De jaren dat ik hier al werkte, hadden ervoor gezorgd dat deze vreemdeling voor mij een ritueel was geworden, een inleider van de laatste werkuren. Men kon er bij wijze van spreken de klok op gelijkzetten. Juist daarom bracht zijn afwezigheid mij van mijn stuk en voelde ik mij voor het eerst genoodzaakt mijn collega te vragen wie deze man kon zijn.
Veel wijzer werd ik er niet van, behalve dat hij een paar straten verderop woonde, in een statig huis nabij het centrum van Koningsbergen.
Na de laatste klanten besloot ik een deel van zijn gebruikelijke route af te lopen. Hopelijk zou ik hem onderweg tegenkomen, ik maakte me zorgen om zijn welzijn. Hoewel ik zijn precieze pad niet kon herleiden, kwam ik uiteindelijk uit in een rustige straat met gelijkmatige gevels en zorgvuldig onderhouden voortuinen.
Daar stond het huis zoals beschreven door mijn collega.
Opgetrokken uit oranjeachtig baksteen deed het me denken aan een schoolgebouw of een kazerne, waar enkel nut het doel moet dienen. Twee schoorstenen sierden het dak; het geheel was bijna perfect symmetrisch. Zelfs het omliggende gazon leek keurig gemaaid, in overeenstemming met de lijnen van de woning.
Mijn nieuwsgierigheid bracht me bij het tuinhek, dat ik vrij schaamteloos passeerde. Bij de voordeur klopte ik tweemaal aan, omdat er de eerste keer geen gehoor werd gegeven. Toen ook de tweede klop onbeantwoord bleef, besloot ik mijn kansen te wagen aan de achterzijde van het pand.
Langzaam sloop ik om het huis heen, af en toe spiedend door het ietwat doffe glas. Boeken waren overal aanwezig in wat een woonkamer leek. Sommige lagen open, met grote rollen papier ernaast die waarschijnlijk dienden voor aantekeningen.
Lang hoefde ik echter niet te speuren, want al na enkele seconden viel mijn oog op een man die in een leren stoel een boek zat te lezen.
Het was de man die elke dag voorbijliep, de man die ik nooit echt had gekend, maar die mij toch een zekere herkenning en dankbaarheid schonk. Hij gaf me rust en het stille besef dat de laatste uren van mijn werkdag waren ingegaan.
Nu zat hij daar, in zijn huis, in zijn stoel, in een wereld die mij vreemd was. Zijn blik op het papier was scherp en onverzettelijk; hij leek volledig verzwolgen door het verhaal, zozeer zelfs dat hij mij niet opmerkte.
‘Wat vreemd,’ dacht ik. ‘Welk boek is zó meeslepend dat iemand er zijn dagelijkse punctualiteit voor zou verwaarlozen?’ Misschien kon het boek mij meer over deze vreemdeling vertellen, iets over wie hij was en wat hem dreef.
Na enige inspanning las ik de titel op de kaft, en verliet, zonder verdere toenadering, het erf.
Op weg naar huis liep ik langs het plaatselijke boekenwinkeltje. Het boek dat deze man van zijn vaste gang had doen afwijken, maakte mij nieuwsgierig, gretig om te begrijpen wat hem zo had gegrepen.
Ik stapte naar binnen, vond een laatste exemplaar, rekende af en was voor het donker nog thuis. Na het avondmaal stookte ik de haard op, verwende mezelf op een glaasje port en nam plaats bij het raam dat uitkeek over de langzaam verstillende straten van Koningsbergen.
Die avond las ik Émile.


