Er was eens… een plaatsje genaamd Hamelen. Ieder sprookje begint met deze verleidelijke woorden. Toch is het hier terecht om Hamelen deze mythische status te geven. Het stadje mag nog altijd bezocht en bewonderd worden, maar is vooral bekend door het beroemde sprookje van de rattenvanger.
Volgens de bekendste versie van de legende werd Hamelen geteisterd door een rattenplaag. De ratten hadden zich in de stad gevestigd en bleven zich vermenigvuldigen. Van twee ratten werden het er vier, van vier werden het er acht, totdat er uiteindelijk een miljoen van deze dieren zouden leven. Het werd onrustig in de stad en met de ellende die de groeiende groep ratten met zich meebracht, verdween ook langzaam de welvaart die Hamelen zo lang had gekend.
De burgemeester besloot op een dag een aanbod te doen aan de inwoners van de stad. Degene die Hamelen van deze plaag wist te bevrijden, zou beloond worden met een zak goudstukken.
Hoewel iedereen enthousiast werd van het idee van een zak goudstukken, bleef het stil op het marktplein. Niemand bood zich aan. Hoe zou je nou een hele stad van haar ratten moeten verlossen?
‘Ik zal deze taak op me nemen’, sprak plotseling een markante vreemdeling vanuit het publiek. ‘Ik wens echter een goudstuk voor iedere rat die ik weet te vangen.’
De burgemeester fronste zijn borstelige wenkbrauwen. Zoveel geld had hij niet, dat wist hij zeker. Toch was het idee dat iemand de stad van haar ratten kon bevrijden hem veel waard. Hij bedacht snel een slim plannetje waarmee hij kon krijgen wat hij wilde.
‘Goed dan. Als jij ons van alle ratten weet te verlossen, zul je krijgen wat je toekomt.’
En zo ging de vreemdeling te werk.
Die nacht, toen alle lichten gedoofd waren, liep de vreemdeling door de straten van Hamelen. Op het marktplein bleef hij staan, haalde een fluit uit zijn tas en begon voorzichtig te spelen.
De mooiste melodieën klonken door de stilte en al snel gebeurde er iets vreemds. Uit de kleinste kieren en gaatjes kwamen de eerste ratten tevoorschijn. Daar was er een, en toen nog een, en nog een. Al snel stroomden de ratten vanuit alle hoeken van de stad naar de fluitspeler. Ze verzamelden zich om hem heen en volgden hem alsof ze betoverd waren.
Langzaam zette de vreemdeling zich in beweging, de stad uit, richting de rivier. De ratten volgden hem. Hij stak de brug over en bouwde zijn melodieën verder op, voegde nieuwe klanken toe en eindigde met een wonderschoon slotstuk.
Met de laatste noot sprongen de ratten de rivier in. Stuk voor stuk verdwenen ze in het koude water, werden meegevoerd door de stroming en waren voorgoed verdwenen.
De volgende ochtend stond de vreemdeling al vroeg voor de deur van het stadhuis.
‘Ik kom mijn betaling ophalen’, sprak hij.
‘Waar zijn de ratten?’ vroeg de burgemeester.
‘Daar hoeft u zich geen zorgen meer over te maken’, antwoordde de vreemdeling.
‘Maar onze afspraak was dat jij ze zou vangen! Hoe kan ik nu weten waar ze zijn? Wie garandeert mij dat ze niet terugkeren? Ik hoef je helemaal niets te betalen!’
Met deze woorden sloeg de burgemeester de deur hard dicht voor de neus van de vreemdeling.
‘Ik zal betaald worden, hoe dan ook’, fluisterde de rattenvanger.
Diezelfde nacht vierde Hamelen feest. De ratten waren verdwenen en in het stadhuis werden wijn en taart ruimschoots gedeeld. De inwoners konden eindelijk weer opgelucht ademhalen. Maar terwijl iedereen feestvierde, was de vreemdeling nog op straat.
Net als de nacht ervoor liep hij naar het marktplein, haalde zijn fluit tevoorschijn en begon opnieuw te spelen. Ook nu klonken de mooiste melodieën door de stad. Tot in de kleinste kieren en gaatjes was de muziek te horen, ondanks het lawaai van de viering in het stadhuis.
En toen gingen de eerste deuren open.
Vanuit de huizen kwamen kinderen aangelopen. Daar een eerste, daar een tweede, een derde. Al snel hadden alle kinderen van Hamelen zich om de fluitspeler verzameld. Net als de ratten leken ook zij betoverd door zijn klanken.
De vreemdeling zette zich langzaam in beweging en de kinderen volgden hem. De kinderen van alle inwoners, ook de vijf zonen van de burgemeester.
De melodieën klonken als muziek in hun oren. De mooiste muziek die ze ooit hadden gehoord. De rattenvanger liep de stad uit, over de brug en voorbij de rivier. Hij trok verder over de velden, tot hij uiteindelijk verdween in het dichte, donkere bos.
Geen van de kinderen keerde ooit terug.
Heel soms, wanneer men ‘s nachts goed luistert, kan men nog altijd de echo’s horen van lachende kinderstemmen en de wonderschone klanken van een fluitenspel.
Ik loop door de oude straatjes van Hamelen, langs de historische vakwerkhuizen en de kleine winkeltjes. Overal duikt de rattenvanger op. In gevels, op afbeeldingen en zelfs in de bestrating. Het lijkt alsof de hele stad nog altijd in het teken staat van dit mysterieuze figuur.
Ik vind het bijzonder om hier rond te lopen en te bedenken dat een verhaal als dit al eeuwenlang wordt doorverteld. Goethe schreef erover, net als de beroemde gebroeders Grimm. Ook in Faust komt de rattenvanger voorbij wanneer de duivel Mephistopheles ermee wordt uitgescholden. Eerder vandaag hield ik nog een oud exemplaar van Goethe in mijn handen, hier in Hamelen. Ik bladerde wat door de vergeelde bladzijden. Filosofische werken zoals deze laten me anders kijken naar de wereld om me heen. Een oud verhaal wordt ineens meer dan een verhaal en roept vragen op over mensen, de wereld en hoe we leven. Misschien confronteren sprookjes ons wel met ons diepste wezen.
Wat begon als een verhaal over verdwenen kinderen is uitgegroeid tot iets wat de stad tot op de dag van vandaag vormgeeft. Er zijn inmiddels eindeloos veel theorieën die een poging doen om dit mysterieuze verhaal te verklaren. Was de vreemdeling de dood die in de tijd van de pest de kinderen kwam ophalen? Was het massamigratie? Wat is er gebeurd met de kinderen? Wellicht zullen we het nooit weten…
Terwijl ik verder door de straatjes loop, vraag ik me af wat het toch is dat zulke verhalen ons blijven vertellen. Misschien vind ik het antwoord nog wel, ergens tussen deze oude gevels, of diep in de donkere wouden rond de Koppenberg.


